Boeken

Logboeken

Maritiem tijdschrift:
Scheepshistorie

Tweehands boeken

Halfmodellen
                  Ron de Vos
    

Nederlandse clippers
Lichtstraal (C. de Vries)                                
Over de Amerikaanse, Engelse en Franse clippers zijn reeds fraaie boeken verschenen, nu is daar hét standaardwerk over de Nederlandse clippers! Nadat 150 jaar geleden de eerste Nederlandse clipper van stapel liep, volgden er in de bloeiperiode van 1853-1875 maar liefst 90 van deze snelle schepen.
Wie wil er niet weten hoe mooi, hoe indrukwekkend, hoe snel, maar ook hoe scherp ze eigenlijk waren gebouwd! Welke schepen mochten zich clipper noemen? Waren de Nederlandse clippers nu echt te vergelijken met die racemonsters uit Amerika en konden ze concurreren met de elegante clippers uit Engeland? Wie waren de scheepsbouwmeesters die met de tijdstroom meegingen en die aanvoelden wat de vrije markt van ze verlangden?

Uit: De houten clippers uit Amsterdam
Amsterdam, tweede helft 19e eeuw. Op een twintigtal scheepswerven voor de grote vaart werken de timmerlieden van ´ochtends vroeg tot ´s avonds laat. Ze timmeren, breeuwen, teren, zagen en hakken. Aan de Bickersgracht ligt een groot aantal schepen in reparatie, anderen staan nog maar net in de spanten. Op de Oostelijke Eilanden steken de masten hoog boven de huizen en loodsen uit. Ook hier een geweldige bedrijvigheid. Het luidt een toekomst in van vernieuwing.

De scheepstimmerman in de 19e eeuw
In 1855 hadden 23 Amsterdamse scheepsbouwmeesters 1.057 arbeiders in dienst.
Er  werd over het algemeen gezegd dat de prijs voor een daar te bouwen schip hoger laG dan in het zuiden van Nederland, met uitzondering van Rotterdam. Volgens de meeste geschiedschrijvers was dit verschil ontstaan uit het feit dat de arbeidslonen in Amsterdam hoger waren. De in 1874 gehouden Parlementaire Enquête voor de Scheepvaart geeft hierover enig inzicht. Leendert Smit uit Kinderdijk betaalde aan een goede werkman 17 cent en aan een voorman of baas 25 cent per uur voor een werkdag van 10 à 11 uren (f. 1,70 à f. 1,87 per dag).
Volgens de Amsterdammer F.F. Groen, die vóór 1870 f. 1,80 voor een werkdag van 12 uren (15 cent per uur) betaalde, lagen de lonen in Engeland 80 procent en in Hamburg 10 procent hoger; in Genua en Napels 10 procent lager.
Scheepsbouwe Gips uit Dordrecht vertelde dat hij zijn mensen vroeger 13 cent en latger 16 cent per uur betaalde, maar voegde er aan toe dat de lonen in Rotterdam hoger lagen.
Op de werf Nijverheid in Schiedam werd bijvoorbeeld f. 1,40 per dag betaald.
Het verschil qua loonkosten blijkt dus niet zo groot te zijn; alleen Gips betaalde beduidend minder.

De studie naar de Nederlandse clippers werd een diepgaand onderzoek. De schepenlijsten van alle werven waarop grote zeegaande schepen werden gebouwd, moesten doorgespit worden om te kijken welk schip in het boek kon worden opgenomen. Vervolgens werd het schip nauwkeurig bestudeerd. Door dit onderzoek gaf de maritieme historie een klein geheim prijs. Dankzij computerberekeningen kwamen onbekende gegevens van de schepen te voorschijn, waarmee kon worden beoordeeld of ze tot de snelzeilende clippers behoorden.