|
Nederlandse schoeners & brikken
Vigilantie, snauw 
Het boek Nederlandse
Schoeners en Brikken bestaat uit drie delen. Alle hoofdstukken, behalve De
ontwikkeling van de schoener en de brik, beginnen met een verhaal of een
reisverslag, waarbij verschillende aspecten van het varen op zee wordt besproken.
Als basis voor deze reizen is gebruik gemaakt van originele journalen of
logboeken die in het bezit zijn van de verschillende maritieme musea.
Het eerste deel behandelt de ontwikkeling van het kleine
tweemastschip door drie eeuwen heen waarbij het zeventiende-eeuwse speeljacht
het boek opent. Wie waren de eerste scheepsbouwers die zich bezighielden met
het bouwen van deze schepen en in opdracht van wie deden ze dat?
Welke schepen stonden aan de basis van de moderne schoener
en brik? Een speciaal hoofdstuk is gewijd aan de snauw, het tweemastschip uit de achttiende eeuw, waar in de
Nederlandse maritieme literatuur niets over is geschreven. Archieven en de
scheepvaartlijsten hebben uitsluitsel gegeven over de vraag hoe belangrijk het
schip als handelsvaartuig is geweest.
Het tweede deel behandelt de vaart in de negentiende eeuw.
De enorme groei van de scheepvaart in het midden van de negentiende eeuw zorgde
voor een geweldige zeilvloot. Door het afschaffen van nationale beschermingsmaatregelen
en de opbloei van de vrije markt ontwikkelde zich een snel schip. Hoe zag die
ontwikkeling eruit?
In elk hoofdstuk wordt een specifieke vaart behandeld, zoals
de vaart naar de West, de vaart naar West-Afrika, de vaart naar de Oost, de Europese
vaart, de vaart naar Zuid-Amerika en de vaart op avontuur. Welke reders waren
in een bepaalde vaart sterk vertegenwoordigd en welke schepen werden daarvoor
gebruikt? Er is, waar mogelijk, ook naar de rentabiliteit van de schepen
gekeken op basis van gegevens uit de archieven van rederijen.
Niet alleen Amsterdamse, ook Rotterdamse en Groninger
scheepsbouwers bouwden schepen specifiek voor een bepaalde vaart. Zo
ontwikkelden de Amsterdammers de fruitschoener, het schip dat zo snel mogelijk
vers fruit naar de verschillende markten moest vervoeren. De Rotterdamse
Gebroeders Visser bouwden in opdracht van reder Van Rijckevorsel schepen voor
zijn vaart naar West-Afrika. In de vaart naar de Oostzee wordt vooral aandacht
geschonken aan de Groninger scheepvaart en de Groninger schoener.
Het derde deel gaat over de ontwikkeling van de schoener en
de brik. Net als in het boek Nederlandse
Clippers is er onderzoek gedaan naar de vorm van de schepen. Als eerste is
gekeken naar de maten die op de bijlbrieven voorkomen. Daarnaast zijn de
historische technische tekeningen, voornamelijk gevonden in de archieven van
het Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam (NSA) en het Maritiem Museum
Rotterdam (MMR) digitaal omgezet, waardoor de mogelijkheid ontstond alle
schepen met elkaar te vergelijken.
Neeltje Cornelia, schoener
Uitvoering
De Nederlandse
Schoeners en Brikken is geheel in full colour geïllustreerd en wordt
luxueus uitgevoerd. Ruim 300 afbeelding ondersteunen de toegankelijke tekst.
Het boek telt 330 pagina’s op formaat 25 x 29,5 cm, is gedrukt op zwaar 150
grams houtvrij papier. Het boek is gebonden in een linnen band en voorzien van
een fraaie stoffen omslag met een schilderij van de bekende Nederlandse
kunstenaar Willem Eerland.
|