Boeken

Logboeken

Maritiem periodiek:
Scheepshistorie

Tweehands boeken

Halfmodellen
                  Scheepshistorie
       deel 11 en 12
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


Scheepshistorie 11

Geheel vernieuwd, 50% dikker!

Het Spiegeljacht historie en restauratie
Nederlandse en Britse invloeden op Franse Koninklijke Scheepswerven
‘Stadsjagt van Gouda’
De grootste overtoom ter wereld
Alkmaar-klasse mijnenjagers

Met Scheepshistorie 11 is een volgende stap gezet in de ontwikkeling van een uniek concept dat inmiddels haar bestaansrecht in de markt van maritieme publicaties heeft bewezen. Na tien nummers is het duidelijk waar bij de lezers de meeste belangstelling naar uitgaat. Dat zijn o.a. de variatie in de onderwerpen, diepgang en historische betrouwbaarheid van prettig leesbare teksten, en vooral kleurige beeldmateriaal.
Na tien nummers leek ons een goed moment om eens even stil te staan en terug te kijken naar een periode van ruim vijf jaar redactionele inspanningen. De intentie elke jaar drie nummers uit te geven is onmogelijk gebleken; dat was een te optimistisch plan. De beperkende factor daarbij was overigens niet de hoeveelheid kopij, maar de redactionele infrastructuur liet het niet toe. Twee nummers per jaar is een reëlere optie waarbij de beschikbaarheid van voldoende kopij de mogelijkheid biedt dan meer pagina's te vullen.
Daarom zal met ingang van dit nummer Scheepshistorie in het vervolg 128 pagina's bevatten met nóg meer interessante en gevarieerde artikelen. Tweemaal per jaar een dikker nummer komt qua inhoud overeen met drie nummers per jaar, maar kosten minder. Voor de redactie is het een taakverlichting en voor de lezers/abonnees betekent het meer leesgenot en een aantrekkelijker aanschafprijs.
Om de verandering ook visueel zichtbaar te maken is tevens de omslag van Scheepshistorie aangepast. 
Scheepshistorie 12

In Scheepshistorie 12 wordt veel aandacht besteed aan de walvisvaart, ooit een belangrijke bedrijfstak in Nederland. Dit mede door de heropening van Het Scheepvaartmuseum in Amsterdam - Ab Hoving heeft een gesprek met Dr. W. Bijleveld, de algemeen directeur.
 Een van de nieuw ingerichte tentoonstellingszalen is namelijk aan de walvisvaart gewijd. In dit nummer staat de aangepaste tekst die de conservator van het museum, Joost C.A. Schokkenbroek, bezigde bij de presentatie : De Nederlandse walvisvaart in vogelvlucht, 1612-1964. Het is een groot artikel met prachtige illustraties in een goed verzorgde lay-out.
De daarop volgende bijdrage van Carel Hofland, In Deining op de IJszee – De walvisvaart leeft op klokken – is zo mogelijk nog fraaier. Hij schreef het artikel naar aanleiding van ‘de verwerving van een scheepjesklok door het Museum van het Nederlandse Uurwerk (MNU) in Zaandam’. Op deze klok staat een afbeelding van de walvisjacht. En na onderzoek bleken er nog meer klokken met een walvisvaartmotief te bestaan. Reden temeer om het onder de aandacht te brengen van een breder publiek. Hofland kreeg veel medewerking en aan het einde van zijn verhaal spreekt hij dan ook een dankwoord uit.
Ab Hoving kreeg het verzoek om onderzoek te doen naar en een rapport op te stellen over het model van de walvisvaarderfluit, de Paerel, ‘een achttiende-eeuws model van een zeventiende-eeuws schip’. In acht pagina’s legt hij u het een en ander uit.
Van walvisjager naar walvisbeschermer is het laatste artikel over dit onderwerp. Peter J.H. Reijnders wil het beeld nuanceren en aantonen hoe de argumenten van de voorstanders van de walvisjacht, waaronder Japan, Noorwegen en IJsland en de tegenstanders ervan, waaronder Nederland, voortborduren op een lange geschiedenis.  
Maar laten we bij het begin beginnen. Bob Hendriks schenkt aandacht aan modelbouwer, onderzoeker en rapporteur, Jo Ploeg, 1913-2003. Gevolgd door Sjoerd de Meer die verhaalt over de bezaanschuit Johannes Cornelis uit Pernis en dan vooral over het scheepsmodel. Het scheepstype raakte omstreeks 1860-1870 in onbruik in Nederland. Wie het model gemaakt heeft en wanneer, blijft onduidelijk, maar aan de Rotterdamse architect en verzamelaar Jan Verheul Dzn. is het te danken dat het model in 1914 in een openbare collectie terechtkwam. En het was uiteindelijk Jo Ploeg die het model en de visserij van Pernis door zijn publicaties uit de vergetelheid haalde. Het model is prachtig gefotografeerd.
Ab Hoving heeft in dit nummer nog meer bijdragen geschreven. Over een altijd integrerend en opwindend gebeuren: tewaterlatingen, maar dan in de Gouden Eeuw; over een schilderij van Giralamo dai Libri, Ariadne op Naxos, ca. 1520, waar ook twee schepen op staan afgebeeld. Ab herkent ze als mediterrane kraken en vertelt hierover.
Samen met Cor Emke buigt hij zich over Het smalschip. Vroeger sprak men over een smal- en een wijdschip. Het waren vaak dezelfde schepen. Het onderscheid werd gemaakt vanwege de afmetingen en er stond een ander tuigage op. Cor Emke maakte een model naar het bestek van van een wijdschip dat Nicolaes Witsen heeft opgenomen in zijn Hedendaegse en Aeloude Scheepsbouw en Bestier, 1671. Hij neemt u mee aan de hand van tekeningen en foto’s.
Bram Klaij legt uit wat een bootschip is en heeft er een model van gemaakt voor een tijdelijke opstelling in het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen.
Ter gelegenheid van het 50-jarige bestaan van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland, Afdeling Zaanstreek, Waterland en omstreken werd een tentoonstelling gehouden om het werk van deze Nederlandse amateurarcheologen toe te lichten. Jelus Matser maakte met een schaalmodel de opgravingresultaten en het daarbij verrichte historisch onderzoek naar de resten van enige 16e en 18e-eeuwse scheepswerven aan de Hogendijk in Zaandam, aanschouwelijk. De maquette is nu weer opgeslagen, maar u kunt het in dit nummer nog eens bekijken.       
In het laatste artikel besteedt Willem van Ham aandacht aan het Vlagvertoon op schepen, ca. 1520-1545 met een voorbeeld uit Zierikzee. 
Al met al weer een zeer goed gevulde Scheepshistorie.
(recensie Elly Meijn)